De gevallen broertjes Schleck

Nog niet zo lang geleden lachte het leven hen toe. In 2011 stonden ze samen op het podium van de Tour. Twee jaar later is het stil. Andy Schleck is geen schim meer van de renner die hij was. Fränk Schleck zit een dopingschorsing uit. Komt het nog goed met hen? Mart Smeets zoekt naar antwoorden.

De laatste maal dat ik langere tijd met Andy Schleck sprak, hadden we allebei een biertje – Amstel Bright – in de hand en was het onderwerp tijdrijden. Het was november 2011 en ik vroeg hem of hij bezig was dat moeilijke onderdeel van het wielrennen onder de knie te krijgen. Hij vertelde dat hij eigenlijk niet wist hoe dat moest. Het was een eerlijk antwoord uitgesproken door iemand uit een sport waar verrassend eerlijke antwoorden eigenlijk niet zo heel vaak voorkomen. Kortom: het werd een buitengemeen aardig gesprek en alles ervan staat me nog goed bij. Schleck zocht het duel in woorden, een eigenschap waar hij en zijn broer het patent op leken te hebben in het peloton van twee jaar terug. Daarna zag ik hem alleen nog via de televisie en in de rijtjes van afgestapte renners.

De laatste maal dat ik Fränk Schleck bijna sprak, was elf maanden geleden. Plaats van handeling: Pau. Waarom ik opschrijf ‘bijna’? De setting was de volgende: een door volle bossages aan het gezicht onttrokken hotel in een luie buitenwijk. In het hotel verbleven de renners van RadioShack en toevallig ook de medewerkers van de NOS, afdeling avonduitzending. Ik liep door de tuin en zag Schleck een meter of zeven voor me een kleine trap oplopen. Hij zag mij ook. Ik zwaaide, hij zwaaide terug en riepen beiden iets. Hij iets van ‘hoi’ in zijn landstaal en ik iets van ‘How you’re doing?’

Die laatste vraag had ik beter niet kunnen stellen. Ik kreeg er ook geen antwoord op, want het bleef bij die wat gehoekte zwaai. Twee uur later werd bekendgemaakt dat Tourrenner Fränk Schleck zich bij de plaatselijke politie had gemeld. Die avond werd duidelijk dat tijdens een urinecontrole sporen van het middel Xipamide waren gevonden. Meteen werd gesteld dat het een vochtafdrijvend middel betrof en dat gebruikt zou kunnen zijn als maskeringsmiddel. Schleck kreeg, na lang soebatten, een schorsing van een jaar en mag op 14 juli 2013 weer aan wedstrijden meedoen.

Televisiebeelden van die avond, rechtstreeks uit Pau, bewezen hoeveel mazzel je soms moet hebben om meteen boven op het nieuws te kunnen zitten. Alle leden van de RadioShack-organisatie die in het ineens belegerde hotel verbleven, accepteerden ons, lieten ons toe ons werk te doen en acteerden dat uiterst professioneel. Ook Fränk Schleck zag ik daarna alleen nog via de televisie. En ik moest ergens lezen dat hij, tijdens een training in mei 2013 door een auto was geschept. Hij twitterde een foto van zichzelf met een open gescheurde broek en een bloedende bil. Hij gaf er een tekst in het Engels bij, zodat zijn internationale volgersschare hem goed kon begrijpen: ‘It will never get boring. Car running me over in early training ride. Outch, that hurts.’

Er was een tijd dat het gedrag, het rijden van wedstrijden en de omgang met pers voor de gebroeders Schleck nooit boring leek te worden.
Onder de bijna vaderlijk aandoende blikken van de Deense ploegleider Bjarne Riis, presenteerden de twee Luxemburgse klimmers zich een aantal zomers lang op verfrissende wijze aan de wielerjournalisten. De twee waren vrolijk, grappig en namen de tijd voor de ineens toestromende massa. Na de toch behoorlijke en soms onbetamelijke stiltes van Lance Armstrong, de nietszeggende optredens van Cadel Evans en de hoekig en schokkerig verlopende praatsessies met Alberto Contador had de internationale pers ineens een prachtproject in handen: twee goedlachse broers uit een ministaatje. Twee slanke jongens die zich lenig in, als het moest, wel vier talen konden uiten. Twee toppers die goed konden klimmen en die belazerd presteerden in de ritten tegen de klok.

Dus werd dat onderwerp zo’n beetje Het Gespreksonderwerp tijdens de altijd goed georganiseerde persbijeenkomsten van de ploeg CSC. De toeloop was in 2010 zo groot geworden dat ook een gezelschap vakantie vierende oudjes – in hetzelfde hotel ondergebracht – de als persruimte ingerichte feestzaal bevolkte. Waar andere ploegen en managers zich snel ontdaan zouden hebben van de grijze mensjes, vonden Riis en diens rechterhand, de uiterst slimme manager Brian Nygaard, het veel leuker hen te laten zitten.

De broers Schleck waren de eersten die snapten dat er publicitair veel pluspunten te behalen waren en gingen uitgebreid met de oudjes op de foto. De internationale wielerpers maakte meteen een statement: met de Schlecks had de wielerwereld twee speerpunten van allure in huis. Met name hun verbale lenigheid werd geroemd, maar ook de vrijwel voortdurend aanwezige manier van omgang met werkelijk iedereen. De jonge, slanke kerels waren een droom voor iedere pr-man of -vrouw, hun aaibaarheidsfactor was groot.

Ik herinner me een van tevoren afgesproken gesprek in een rustiek Zwitsers hotel, vlakbij het Bodenmeer tijdens de Tour de Suisse. Er waren die zaterdagavond drie afspraken gemaakt voor de mannen: twee met schrijvende collega’s – een in het Engels, een in het Frans – en een optreden voor de camera van de NOS. Terwijl onze afspraak was gemaakt om acht uur en een kwartier aan spreektijd was beloofd, werd de starttijd uiteindelijk negen uur en ze bleven allebei ruim veertig minuten zitten. ‘Jullie blijven toch zeker wel hier eten,’ vroegen ze
na afloop.

Met Fränk in de beklaagdenbank werd er met een ander oog gekeken naar de prestaties van beide broers. Omdat ze alles samen deden.

Wij, drie NOS-mensen, aten in de eetzaal naast de renners en werden door alle coureurs geheel geaccepteerd. Een vredige soort van familiaire warmte was voelbaar; de Schlecks straalden dat uit, de andere renners hadden het geaccepteerd, zo bleek.

Brian Nygaard is belangrijk in de voortgang van dit verhaal. De kleine, slimme Deen die eigenlijk tweede secretaris op een Deense ambassade had moeten worden, een zeer excentrieke biseksuele kunsthandelaar of manager van de Rolling Stones, zette, in zijn streven groot en beroemd te worden, de piketpaaltjes neer voor de grote Luxemburgse ploeg die Leopard Trek werd.
Hij vertrok eind 2010 van het veilige nest van Riis, nam ploegleider Kim Andersen mee en bedacht dat de mondiale wielersport de komende jaren een driekoppig monster zou moeten gaan bestrijden: Fabian Cancellara voor de klassiekers en Andy en Fränk Schleck voor de grote ronden. Het aanvullend personeel, de Italiaanse sprinter Danielle Bennati voorop, kon elders potten gaan breken, maar dat de Schlecks in de jaren tot, op zijn minst 2015-2016, zouden gaan heersen, stond vast. De financiële armslag was daar in Luxemburg ruim aanwezig, de organisatie was sterk, de renners goed en wie of wat kon deze ‘coup’ nog tegenhouden?

Uit die tijd vis ik de volgende aantekeningen op tijdens een gesprek met Nygaard.
Wat gaan die broertjes dan wel niet verdienen bij jullie?
“Genoeg.”
Wat een bullshit antwoord.
“Oké, oké. Meer dan gemiddeld, ze kunnen rijk worden.”
Moet ik in de miljoenen denken?
“Wij geven geen correcte antwoorden op dit soort onbehoorlijke vragen, dat weet je. Mag er nog ergens privacy blijven bestaan in deze sport?”
Ik lachte en zei: ‘You asshole.’
Nygaard antwoordde: “Klopt.”

Niet veel later stapte Nygaard op en hij verdween naar Green Edge. Ook Icarus moet blijven werken om te kunnen bestaan, nietwaar?
Hoewel hij zich redelijk koest hield over het reilen en zeilen bij de Luxemburgse ploeg, liet de Deen nog wel los dat eigenaar Flavio Becca en diens trawanten een nogal opmerkelijke manier van werken in de wielerwereld hanteerden. Toen, na de ploegentijdrit van Tirreno- Adriatico in 2011, een aantal Leopard-Trek-renners op achterstand van de vijf man die samen finishten, aankwam, verordonneerde de baas dat de achterblijvers meteen uit koers gehaald moesten worden en per trein naar huis gestuurd. Ze konden pas weer koersen als ze de rest konden volgen.

Nygaard stelde later, toen hij was vertrokken: ‘Zo ging het, die lieden waren de baas, zo gingen ze met alle renners om. Zij besloten ook hoe de Schlecks moesten gaan presteren. Je weet hoe het verder ging.’

We gaan anderhalf jaar terug in de tijd. De Schlecks hadden in de winter anders getraind dan anders. Na het samengaan van Radio Shack en hun Leopard-Trek-organisatie, wisten de twee de Belgische ploegleider Johan Bruyneel boven zich. Ten tijde van die samensmelting van beide teams dachten de broers dat Bruyneel – die jarenlang Armstrong bijstond – een zegen voor hen was: hij ging hen leren hoe ze moesten trainen op het rijden van tijdritten. In Calpe in het warme, winterse Spanje zou de basis gelegd worden voor de completere wielrenner Schleck, of die nu Fränk of Andy heette. Bruyneel had, dacht iedereen, een gouden hand in het begeleiden van aanstaande Tourwinnaars en dus zou alles goed komen.

Dat zeiden de twee broers op Curaçao tegenover een gezelschap van zeven journalisten. Hun achilleshiel zou sterker worden, Bruyneel heette het toverwoord. Ze vertelden over sportschoolbezoek en hogere trapfrequenties. De klimmers wilden wielrenner worden.
Het wielerjaar 2012 was al bijna voorbij en de feiten waren dat Bruyneel ten onder ging in de smerige affaire Armstrong, dat Andy Schleck hard viel in de Dauphiné en zijn bekken en heiligbeen brak en dat Fränk eerloos de Tour uit werd gegooid met een schorsing aan zijn broek.
Tot zover de dromen.

Nu de realiteit. De Schlecks kenden Bruyneel niet. Dat wil zeggen: ze hadden hem meegemaakt in de koers, aan het stuur van een ploegleiderwagen, ze hadden gedag gezegd en gelachen, maar ‘kennen’ is toch wat anders. De twee waren er van overtuigd dat zij in het jaar 2012 door konden stoten naar de echte top van de wielerwereld, als ze daar al niet verbleven. Hun tweede en derde plaats in de Tour – voor het eerst twee broers op het Parijse podium – van 2011 was de beste steppingstone voor hun verdere loopbaan. De internationale wielerpers was verheugd: dat zou groots verbaal vuurwerk gaan opleveren.
Men zag met vertrouwen en veel hoop op spektakel de nieuwe tijd met de broertjes tegemoet.

Helaas. Andy werd tijdens de tijdrit van de Dauphine 2012 letterlijk van zijn fiets geblazen. Anders kan het niet gezegd worden. Er zijn weinig mensen die de val gezien hebben, maar het moet een enge, bijna nooit geziene actie geweest zijn. Terwijl hij snel daalde, werd Schleck door de wind opgetild. De klap was hard, de herinnering aan die korte vlucht-met-onbekende-bestemming kwam nog steviger aan. Niet alleen had Schleck botbreuken, maar het was vooral zijn geest die geraakt was. Zonder meer kan gesteld worden dat de wielrenner Schleck daar, op die stoffige Franse weg, zijn pedalen verloor. Hoe hij ook zijn best deed terug te komen, hoe vaak hij niet zei dat er verbetering in zijn rijden voelbaar was; zijn resultaten waren dramatisch voor een man die dit jaar, volgens plan, de Tour zou moeten winnen en die daar dus vorstelijk voor gehonoreerd werd.

Andy stapte af in Down Under, in Oman, in de Ronde van de Middellandse Zee, in Tirreno en reed als een vleugellamme vogel mee in grote koersen in april. Hij forceerde zijn hele training door te roepen dat hij aan Paris-Roubaix wilde meedoen om hardheid op te doen, terwijl hij toch geweten moet hebben dat over steentjes rijden niet echt een specialiteit van de broertjes genoemd mag worden. Was het immers niet in de Hel van het Noorden in 2010 dat de Ronde van Frankrijk zijn broer Fränk achterliet: gebroken en kwetsbaar. Andy zette door en toonde, zo zei zijn achterban, geweldig veel inzet en karakter, maar hij was, goed gezegd, gewoon zijn pedalen kwijt.

Wat hij verder miste: de aanwezigheid van zijn broer, de kameraadschap binnen de ploeg, de chemistry van de groep, de geur van succes, het stardom, de overwinningen en het applaus dat hij altijd zo gulzig had weten op te snuiven. En misschien ook wel, hoe zeg ik het genuanceerd, welke vorm van goede preparatie ook. Met Fränk in de beklaagdenbank werd er natuurlijk met een ander oog gekeken naar de prestaties van beide broers; omdat ze immers alles samen deden, omdat ze altijd samen waren. Zonder bewijzen zijn die verbanden snel gelegd, nietwaar? Was het immers niet een volkomen nietig berichtje in een
Duitse krant, zo’n vijf jaar geleden, dat Fränk een bedrag van 6991 euro had overgemaakt naar een rekening van dokter Eufemiano Fuentes in Spanje? Ja, dat was het en die herinneringen moesten worden opgehaald, ook al vond de betrokkene dat niet leuk.

In de echo van de gebeurtenissen rond de Tourstart van 2006 waarbij de naam Fuentes voor het eerst billboardgroot op ons netvlies kwam, bleek ook Fränk Schleck niet schadevrij te zijn. Ook hij was klant geweest. Hoe anders moest hij die overmaking verklaren? Hij deed het wel na enige druk van buitenaf en hij kwam er redelijk schadevrij van af, maar zijn naam stond vanaf dat moment toch in de boeken. Er was geen aanwijzing van bloedzakken of verboden spul, er stond alleen een bedrag van bijna zevenduizend euro genoteerd. Overigens zou hij, in een later stadium, die overmaking niet ontkennen, maar een goede verklaring ervoor werd toch nooit afgegeven, anders dan ‘trainingsadviezen’.

Die eerste botsing met Het Kwaad werd, vreemd genoeg, de oudste van de broers niet echt aangerekend in het wereldje. Fränk was de rustigste van de twee en had al wat op zijn palmares staan voordat het tweetal als duo de internationale wielerwereld ging veroveren. In 2009 had hij, fraai en overtuigend, een zware Touretappe naar Alpe d’ Huez gewonnen en in 2010 was er die vervelende val op de steentjes van De Hel waarna hij met een gecompliceerde sleutelbeenbreuk achterbleef. Maar ook zijn optredens in de Amstel Gold Race van 2006 en de Tour de Suisse van 2010 waren van onbesproken gedrag; hij klom sterk en toonde een opvallend montere kijk op wielerzaken. Hij koerste slim en was er op momenten dat de ereprijzen verdeeld werden. Hij was, hoewel zijn broertje een abonnement nam op de tweede plaatsen in de Tour en er met terugwerkende kracht ook een won in 2010 toen Contador de eindzege moest afstaan, toch de eerste Schleck die werkelijk naam maakte.

Hoewel? Er bestaat ook nog Johnny Schleck, de vader van de twee. Knecht van Jan Janssen in 1968 en Luis Ocaña in 1973, een man die bijna twee decennia prof was en twee maal top-twintig in het eindklassement van de Tour reed. ‘Met Johnny,’ zo zei Janssen weleens, ‘moest je niet spotten. Hij was een harde coureur, iemand die diep kon gaan. Goede helper, betrouwbaar ook.’

Het was dus pa die een eenvoudige voorzet aan zijn zonen gaf: stoppen

En als onze eerste Tourwinnaar zoiets zegt… Maar ook Johnny was niet de eerste Schleck die furore maakte. Ook opa Gustav wist in de jaren voor de oorlog menigmaal prijs te rijden in de Luxemburgse wielerwereld. De broertjes hadden het dus niet van vreemden, mag je stellen. Het was dan ook opvallend dat vader Johnny in mei 2013 ineens met een cri de coeur kwam die opviel. In een interview met Luxemburgse journalisten ventileerde hij: ‘Het is wellicht beter dat de jongens met koersen ophouden. Fränk heeft kapitalen moeten neerleggen om zijn onschuld in de dopingzaak aan te tonen en Andy kan nauwelijks nog terugkomen, hij heeft psychische problemen.’

En broer Fränk? ‘Die staat stil op een beroerd moment voor een coureur. Hoe oud is -ie? Toch 32? Dan moet je heel taai zijn om goed terug te komen. Een jaar geen competitie doet je een jaar stilstaan en dus achteruit gaan. Trainingsritten rijden is geen substituut, bij lange na niet.’ Hebben we, volgers en fans, het oeuvre van de grappige, geestige, mediagenieke broertjes al gezien? Of bestaat er leven boven de pijngrens? Kunnen beiden in een ietwat opgeschoonde wielerwereld zonder chemische ondersteuning nog een keer aan de top komen? Of zijn ze zo gevormd door het ‘oude wielrennen’ dat dat niet meer lukt?

Terug naar dat laatste echte gesprek met de twee. Op Curaçao. Het ging toen om het aanleren van vaardigheden die tijdrijders moeten hebben. Fränk: “Je mag toch zeggen
dat Bruyneel de laatste tien jaar goede tijdrijders heeft neergezet in het peloton. Hij weet waarover hij praat.” Andy knikte bij het aanhoren van dat statement: “True.” Het mocht er niet van komen. Omdat het niet echt boterde tussen hen en Bruyneel en omdat de Vlaming als snel op de brandstapel kwam. De broers zagen of hoorden hem nooit meer. En tijdrijders werden de twee dus niet. De vraag is nu of ze ooit nog volwassen, goede renners zullen worden. Of heeft vader Johnny gelijk en moeten ze stoppen. Leuke resultaten, aardige jongens, eentje, Andy, met een licht drankprobleem, de ander, Fränk, met een zo te zien redelijk stabiel familieleven. Een godsgeschenk voor de internationale wielerpers riepen we met zijn allen nog niet zo lang geleden.


Mart Smeets